Krakatau 1883 (deel 3): Expeditie naar de Lampongs

Een week na de uitbarsting van de vulkaan Krakatau in augustus 1883 vertrok een schip vanuit Batavia richting het rampgebied, en specifiek de Lampongse districten in het zuiden van Sumatra. Tijdens deze expeditie werd de schade opgenomen, werden enkele mensen geëvacueerd, en na terugkomst kon in de krant uitgebreid verslag uitgebracht worden over de situatie. Dit artikel behandelt dat verslag.

Krakatau teaser klein.png

De serie Krakatau 1883 op In de Archipel beschrijft de vulkaanuitbarsting van de Krakatau in het jaar 1883 aan de hand van krantenberichten uit die tijd. Sindsdien is er natuurlijk heel veel geschreven over deze ramp, een van de grootste natuurrampen sinds mensenheugenis, maar deze serie laat zien hoe er in die tijd zelf naar gekeken werd. Het eerste deel ging over de eerste berichtgeving: de aanloop naar de ramp, de uitbarsting zelf (27 augustus 1883) en de eerste krantenberichten direct daarna. Het tweede deel bevat de eerste twee ooggetuigenverslagen uit het rampgebied, beide uit Bantam in het westen van Java. Dit derde deel is een uitgebreid verslag van de eerste expeditie na de ramp richting de Lampongs, het zuiden van het eiland Sumatra. Volgende delen volgen in de loop van 2018.

Expeditie van de Kedirie (3 t/m 12 september 1883)

Krakatau kaart 1883

Kaart van Krakatau en omgeving. Klik voor een grote versie.

In de eerste week van september 1883 kwam er steeds meer nieuws naar buiten over de vulkaanuitbarsting van de Krakatau en de rampzalige gevolgen. In die eerste periode ging bijna al het nieuws echter over de residentie Bantam, oftewel de westkust van Java. Het eerste meer gedetailleerde verslag vanuit de Lampongse districten (zuidkust van Sumatra) volgde op 13 en 14 september, toen er in de Java-Bode een tweedelig verslag werd afgedrukt van de expeditie van het schip de Kedirie (Java-Bode: 13 september 1883, p3; 14 september 1883, p5). De expeditie zelf vond plaats van maandag 3 tot woensdag 12 september 1883.

Hieronder volgt integraal het verslag dat die twee dagen in de krant stond, met verklaringen, toelichtingen en enkele afbeeldingen. Op de kaart hierboven staan de meeste genoemde plaatsnamen en eilanden aangegeven.

Vertrek van de Kedirie op 3 september 1883

De Laatste Expeditie Van de Kedirie naar de Lampongs.

Door welwillende mededeelingen daartoe in staat gesteld geven wij hierbij onzen lezers een zoo nauwkeurig mogelijk verhaal, van den tocht der Kedirie, die gisteren de bezending geredden uit Telok Betong heeft aangebracht. Men zal zich uit de meer gedetailleerde beschrijving een beter denkbeeld kunnen vormen, zoowel over den omvang en den aard der verwoesting, als ook over de ontberingen en moeiten, die de leden der expeditie, met hun onvermoeidbaren aanvoerder den luit. Koster aan ’t hoofd, moesten doorstaan.

Zoals in bovenstaande inleiding vermeld was de bestemming van de expeditie Telok Betong. Telok Betong (moderne spelling Telukbetung) was de belangrijkste stad in de Lampongse Districten, overeenkomend met de huidige provincie Lampung. In 1983 werd Telukbetung samengevoegd met de naastgelegen stad Tanjungkarang tot de nieuwe stad Bandar Lampung, letterlijk ‘Haven(stad) van Lampung’. De expeditie stond onder leiding van luitenant-ter-zee der 1e klasse L.C. Koster.

Gelijk men men weet, zou de hopper Kedirie, des Maandags morgens, den 3den September, van hier vertrekken, en het plan was om eenige prauwen met rijst op sleeptouw mede te nemen. Toen met echter ter reede van Batavia kwam, bleken de verstrekte prauwen niet zeewaardig, het oorspronkelijke voornemen verviel dus, en terstond werd besloten om uit de Ophir, die juist op de reede lag, een genoegzamen voorraad levensmiddelen over te nemen. Dit geschiedde en door de daaruit ontstane vertraging ging men eerst te half zes in den namiddag van de reede.

Met ‘hopper‘ of ‘hopperbarge’ werd in Indië een klein stoomvrachtschip bedoeld. In het Engels is een hopper barge een sleepschip, maar de Kedirie was een stoomboot met eigen aandrijving. Het woord prauw komt van het Maleise/Indonesische woord ‘perahu‘ en duidt op middelgrote inlandse vaartuigen, vaak vissersboten. Het vertrek was van de rede van de haven van Tandjoeng Priok (Tanjung Priok), de nieuwe haven die enkele jaren eerder was aangelegd.

Het personeel der expeditie bestond, gelijk men zich zal herinneren, uit den chef, den luit. t. z. Koster, adjudant van Z.E. den G. Generaal, verder den stadsgeneesheer dr. Vorderman, die zich vroeger bij de Regeering beschikbaar had gesteld en door deze uitgenoodigd was, den schout van Haagen, met 10 politie oppassers (waarvan een deel nieuw aangeworven!) en 20 dwangarbeiders. Het kommando over de Kedirie werd gevoerd, door den bekenden en kundigen gezagvoerder ’t Hoen, die op den geheelen tocht menigvuldige bewijzen gegeven geeft van groote zeemandschap, beleid, voortvarendheid en energie en aan wien voor het welslagen der expeditie ongetwijfeld een woord van lof toekomt.

Behalve de eerdergenoemde luitenant ter zee Koster was dus ook stadsgeneesheer van Batavia dokter Vorderman aan boord. Deze Adolphe Guillaume Vorderman speelde tijdens de rest van zijn leven een belangrijke rol in het onderzoek naar vitamine B1 en de aandoening beriberi, waarvoor zijn vriend en collega Christiaan Eijkman later een Nobelprijs zou krijgen. De schout was een functie voor ordehandhaving, vergelijkbaar met een sheriff.

Wat de overneming van goederen uit de Ophir betreft, deze bestond in het overladen van 574 zakken rijst, 10 zakken zout en eenige presennings.
Nadat men alzoo Maandag avond, te half zes, onder stoom was gegaan, passeerde men, toen het al duister geworden was, een anderen hopper, die aangeroepen werd, maar dit niet scheen te bemerken; welk vaartuig dit was kon men niet zien, alleen wat het duidelijk dat het naar Batavia terugkeerde. Deze ontmoeting had plaats te ongeveer half acht, en gelijktijdig werd op den Javawal een hevige brand bemerkt.
Het gezelfschap aan boord was intusschen vermeerderd. Een boot met Lampongsche handelaren gevuld was de Kedirie tegengekomen en de opvarenden, hoorende dat men naar de Lampongs ging, verzochten gratis medegenomen te worden, hetgeen hun werd toegestaan, op voorwaarde dat zij bij het landen als gidsen hulp zouden bewijzen.
Dit hebben zij ook trouw gedaan, en weer is het de vermelding waard, dat de leden der expeditie, op hun zoo moeilijken tocht, de meeste hulp en bijstand genoten hebben juist van de hadjies, van welke [?] er ook verscheidene onder de opgenomen Lampongsche handelaren waren. Dien dag gebeurde er verder niets belangrijks en des nachts ging men bij Poeloe Babi ten anker.

Pulau Tunda Banten.jpg

Moderne luchtfoto van Pulau Tunda, het voormalige Poeloe Babi waar de expeditie de eerste nacht doorbracht.

Een presenning is een dekkleed/zeildoek voor het afdekken van de lading op een vrachtschip. Met hadjie wordt een moslim aangeduid die ooit de bedevaartstocht naar Mekka heeft afgelegd. Zo eindigde de tocht de eerste dag bij het eiland Poeloe Babi. Dit betekent letterlijk ‘varkenseiland’ en duidt op het eiland dat tegenwoordig Pulau Tunda heet. Dit eilandje ligt 17 km ten noorden van de noordkust van Banten (bij Serang), en hemelsbreed ongeveer 75 km vanaf Batavia (Jakarta).

Van Sint-Nicolaaspunt naar de Zutphen-eilanden

Dinsdag morgen, den 4den dezer, rondde men, om dit zeemanswoord te gebruiken, te half vijf onder stoom gegaan zijnde, even na het aanbreken van den dag, St. Nicolaas Punt. Daar aanschouwde men voor het eerst het tooneel der verwoesting. Al de drooge rijstvelden, die men uit zee duidelijk tegen de bergen kon zien liggen, waren in aschvelden herschapen. Het geboomte was bladerloos. Daardoor waren ook, heel in de verte, de anders in het groen verscholen kampongs, hoog op de bergen te zien. De lage kuststreek was geheel en al geraseerd. Tot op een hoogte van 30 à 40 meter had de zee elk voorwerp weggeslagen en neergesmakt en met een grijze laag modder en puim overdekt.

Na vertrek in de vroege ochtend vanaf Poeloe Babi zag de bemanning van de Kedirie aan de linkerzijde de verwoesting bij de Sint-Nicolaaspunt. Dit is de noordelijkste kaap van Bantam en ook het meest noordelijke punt van het hele eiland Java. De kaap heet nu Tanjung Pujut, wat letterlijk iets betekent als ‘wurgingskaap’. Puim of puimsteen is zeer licht vulkanisch gesteente dat drijft op water en daardoor de scheepvaart kan hinderen.

Op het eiland Poeloe Merak (men was nog steeds dicht onder den Bantam-wal) stonden nog enkele boomen overeind. Dwars-in-den-weg, waarvan vroeger vermeld is, dat het in stukken was gespleten, bleek toen men er dicht bij was gekomen slechts in zijn vier, reeds vroeger bestaande dalen door de vloedgolf te zijn uitgediept, zoodat het in de verte den schijn heeft in 5 kleine eilandjes verdeeld te zijn. Toppershoedje was, tot zoo hoog de vloedgolf gereikt had, kaal en had een andere gedaante gekregen. Bij Merak zag men duidelijk de steengroeven, wier rechte wanden tegen het loodachtig grijs der omgeving scherp afstaken. Op de plaats van den bentingheuvel waren nog 6 klapperboomen staande gebleven. Het geheele landschap, waar de zeebeving haar vernieling had aangericht, was dor en geleek veel op een sneeuwloos, Noordsch winterlandschap, welks sombere tint een onaangenaam contrast opleverde met den schitterenden Tropischen hemel en de felle hitte.

Pulau Sangiang Banten.jpg

Pulau Sangiang nu, het vroegere Dwars-in-den-weg.

In het bovenstaande springt de auteur van de hak op de tak, want het is zeer onwaarschijnlijk dat de Kedirie inderdaad in deze volgorde de genoemde plaatsen gezien heeft. Poeloe Merak, nu genoemd Pulau Merak (Besar), is een klein eilandje voor de westkust van Java. Het ligt direct voor het gebied Merak op de vaste wal, waar nu de veerboothaven van Merak ligt (die is in 1912 aangelegd). Dwars-in-den-weg is een onbewoond eiland die precies in het midden van de Straat Soenda ligt, halverwege tussen Java en Sumatra. Het wordt nu Pulau Sangiang genoemd. Toppershoedje was de naam van een heel klein eilandje dat nu Pulau Tempurung heet. Het ligt ongeveer 9 km ten noordoosten van Dwars-in-den-weg en is maar 200 bij 200 meter groot. Tenslotte benting is een verbastering van het Maleise/Indonesische benteng, dat fort betekent. Over welke heuvel met fort het hier gaat is niet duidelijk.

Het vaarwater benoorden Dwars-in-den-weg was vrij van puimsteen. LIjken waren op dat punt niet te zien. Dichter bij den Sumatra-wal evenwel, waar de stroom uit de Lampong-baai merkbaar wordt, ontmoette men veel puimsteen, met stukken van woningen, boomen enz. dooreengemend. Hoogst opmerkelijk is ‘t, dat een zeer groot aantal boomen en bamboes, die in zee dreven, loodrecht overeind stonden, een verschijnsel waarvan de verklaring ons niet gegeven is. Wat de lijken betreft, daaromtrent heeft de gezagvoerder ’t Hoen geobserveerd, dat die van mannen steeds op den buik dreven, met opgetrokken beenen, terwijl die van vrouwen en kinderen steeds op den rug in het water lagen.

Op de Zutphen Eilanden was eveneens de onderkant geheel kaal, tot op een hoogte van 30 à 40 meter en van lichtgrijze kleur. Vooral het zuidelijk gedeelte van Poeloe Kandang had veel geleden. Geheele stukken grond waren daar weggespoeld en een laag rolsteenen boven gekomen.

Kaartje Dwars-in-den-weg.PNG

Kaartuitsnede uit 1880 van de omgeving van Dwars-in-den-weg en de Zutphen-eilanden (bron: VU).

Na de tocht vanaf de kust van Java via enkele kleine eilandjes in de Straat Soenda kwam de Kedirie aan in de buurt van de Lampongse districten. Als eerste kwam men bij de Zutphen-eilanden. Dit groepje eilanden heet nu Kepulauan Sumur (letterlijk bron-eilanden), en ligt voor de kust van wat nu de veerboothaven van Bakauheni is (gebouwd in de jaren 70). Het genoemde Poeloe Kandang is een van de twee grotere (3 bij 1 km) eilanden van de eilandengroep. Het eiland wordt nu Pulau Kandang Balak genoemd.

Over Krakatau en Sebesie

Van Krakatau herkende men in de verte duidelijk den hoogen piek en eenig lager egaal heuvelland benoorden. Vermoedelijk is dus het middendeel met den nieuwen krater weggezonken. In het noorden en westen is het eiland zeer duidelijk van gedaante veranderd. Ook de piek scheen een anderen vorm gekregen te hebben vermoedelijk door aardstorting, hij verschilde ten minste van de teekening, die de heer R.D. Verbeek, daar van in het Jaarboek van het Mijnwezen gegeven heeft.
Tusschen Krakatau en Sebesie door, zeer dicht bij het eerste, kon men de lage heuvels van Verlaten Eiland ontdekken.

De heer R.D. (Rogier) Verbeek was een Nederlandse geoloog die, vaak in opdracht van de gouverneur-generaal van Indië, topografische en geologische beschrijvingen maakte van delen van de archipel. Zo had Verbeek dus al voor de uitbarsting een beschrijving met tekening van de Krakatau gemaakt. De afbeelding hieronder is hoe hij de vulkaan ná de uitbarsting zag.

Krakatau 1883 Verbeek.jpg

Zicht op Krakatau na de uitbarsting, vanuit het noorden (dus zoals ook door de Kedirie-expeditie gezien). Deze afbeelding staat in een rapport over de uitbarsting uit 1888, van de Royal Society of London. De tekening is gebaseerd op een tekening uit het standaardwerk Krakatau (1884-1885) van de Nederlandse geoloog Rogier Verbeek.

Behalve de Krakatau worden in het tekstje hierboven het eiland Sebesie en het Verlaten Eiland genoemd. Sebesie (Sebesi) ligt ruim 15 km ten noorden van Krakatau en is het dichtstbijzijnde bewoonde eiland. Het kleine Verlaten Eiland ligt vlakbij Krakatau. Dit eilandje heet nu Pulau Sertung.

Vulkanische werking was echter nergens meer te bespeuren, noch te Krakatau, noch te Sebesie. Van de gerapporteerde 16 vulkanische eilandjes werd niets ontdekt. Alles was rustig. Slechts de overal zichtbare sporen der verwoesting herinnerden aan de vreeselijke kracht, die hier werkzaam was geweest.
Toen met om Varkenshoek, met welke wanluidenden naam Sumatra’s zuidelijkste punt wordt aangeduid, heengestoomd was en dus aan het begin der Lampongbaai kwam, kreeg men vrij wat deinig, zoo zelfs dat de hopper aan beide zijden water schepte.
De zoogenoemde Bochts-Eilanden, welker oppervlakte beneden de 40 meter boven zee schijnt te liggen, waren geheel kaal en leken wel asch-zadels. Het schijnt, dat de krachtigste werking van de uitbarsting in de richting is geweest van den Radja Bassa (vulkaan in de Lampongs, noordelijk van Varkenshoek). De kampongs op die eilanden en op ’t vasteland zijn kennelijk minder door de vloedgolf vernield, dan wel door de neergevallen asch en modder en ook door een voorafgeganen orkaan, die zelfs diep landwaarts in de reusachtigste stammen heeft ontworteld.

De volgorde van het verslag is hier weer wat onlogisch, omdat na de beschrijving van het varen langs Krakatau en Verlaten Eiland weer wordt geschreven over de Varkenshoek. De Varkenshoek is het zuidoostelijkste puntje van Sumatra, niet ver van de eerdergenoemde Zutphen-eilanden. Het heet nu Tanjung Tua, oftewel ‘oude kaap’. De Bochts-eilanden (soms ook gespeld als Bogts) zijn twee hele kleine eilandjes net voor de kust van Lampung bij het dorpje Totoharjo, iets ten westen van de Varkenshoek. De twee eilanden heten nu Pulau Mengkudu en Pulau Sekepel. De naam van de genoemde vulkaan Radja Bassa (1.281 meter hoog) wordt nu gespeld als Rajabasa.

Sebesie is, van den top tot aan het strand, een en al asch. De vulkanische kegel leverde een prachtig gezicht op, met die scherpe, regelmatige, van den top nederdalende, divergeerende bergribben. Op dat eiland woonden ongeveer 1300 menschen, zonder twijfel allen omgekomen, overvallen door de vreeselijke uitbarsting. Ook Seboekoe is bijna geheel onder de asch begraven. Slechts op enkele der hoogste punten ontdekte men nog eenige bladerlooze boomen.
Ziedaar de toestand in Straat Sunda en haar omgeving.

In het verslag uit september 1883 wordt gesproken over 1,300 doden op Sebesie. Latere schattingen gaan ervan uit dat er ongeveer 2.000 mensen op het eiland woonden, en ook ongeveer 1.000 bezoekers (zoals handelaren) op het eiland waren, en dat er dus zo’n 3.000 mensen op Sebesie zijn omgekomen. Het kleinere eiland Seboekoe (Sebuku) ligt net ten noorden van Sebesie. Naar schatting zijn op dat eiland ongeveer 150 mensen omgekomen tijdens de ramp van 1883.

Aan land bij Kali Anda

Vervolgen wij nu het reisverhaal. Des morgens had men de Bogor gepraaid, die in den omtrek van Varkenshoek kruiste, en de luit. Koster was daar aan boord gegaan. Tot dusver had men nog altijd open vaarwater gehad. Ook de Blangtong-baai was open. Daar passeerde de Kedirie weder een kolossalen afgesplinterden boomstam, die in perpendiculaire houding, met zijn top wel 3 à 4 meters boven de oppervlakte der zee uitstak.
Hier in de Blantong-baai besloot luit. Koster te landen en wel voor Kali Anda. Zijn doel was om 1o berichten in te winnen over den resident en over Telok Betong en 2o de overgebleven bevolking met levensmiddelen te assisteeren. Men ankerde dus tegenover de overblijfselen van Kampong Kali Anda, ongeveer 1 Engelsche mijl uit den wal.

De Blangtong-baai (of Blantong-baai) is een kleine baai, onderdeel van de veel grotere Lampongbaai. De baai was genoemd naar het dorpje Blantong (nu Belantung). Kali Anda (of Kampong Kali Anda) was een dorp aan de oostkant van de baai. Nu is Kalianda een stadje met zo’n 80.000 inwoners.

Naar land gingen toen de luit. Koster, de heer Vorderman, de schout van Haagen (alle drie met revolvers gewapend, die men echter verborgen hield) voorts één politieoppasser en hadjie Mohamad, dezelfde die den controleur Beyerinck naar Batavia heeft vergezeld en die, als van Kali-Anda afkomstig, voor loods en gids zou dienen. Na vooraf met stoomfluit herhaalde seinen gegeven te hebben waarop verscheidene inlanders uit het gebergte naar het strand afdaalden, ging de sloep met bovengenoemd gezelschap naar den wal en zette koers op den landingsplaats aan.

De genoemde heer Beyerinck was controleur (een lokale bestuursfunctie) van Ketimbang, het huidige Katibung. Hij was degene die enkele dagen voor de grote uitbarsting al naar Batavia seinde dat er activiteit gaande was en dat dit tot grote vernielingen leidde op en rond Krakatau. Zie ook Krakatau 1883 (deel 1): de eerste berichtgeving.

Daar vertoonde zich voor het eerst de ramp in al haar gruwelijke gevolgen. Rottende en stinkende lijken van menschen en beesten, eenige overgeblevenen die allen aan zware brandwonden leden, het landschap geraseerd, de huizen weg. Van dat van het hoofd waren nog de fondamenten te zien en was een zinken dakbedekking overgebleven, waarmede het volk een klein pondokje dicht bij het strand had gedekt. Ook twee grote lilla’s lagen op den grond. Het geheel leverde een tooneel op, dat geen pen vermag te beschrijven; men moet het met eigen oogen hebben gezien, om er een voorstelling van te maken.

Een lilla is een type kanon.

Maar één lichtzijde is er in deze verwoesting — nl. dat alle muskieten verdelgd zijn! In de Lampongs, ten minste in de door de ramp bezochte gedeelten, is er geen enkele meer te bespeuren. Zijn zij door de asch gedood, of door de modder? Genoeg, die plaag is althans voor een tijd verdwenen, en het gemak dat men ongehinderd zich nederleggen en slapen kan is een kleine vertroosting bij zooveel onbeschrijfelijke ellende.

Op het hooren van de stoomfluit waren eenige inlanders toegesneld, die met het hoofd, hadjie Djembil, de reizigers aan land hielpen. De inlanders hadden een stuk vlag aan een lange bamboe opgericht, en ook verderop naar het gebergte zag men witte en roode lappen, die aan in den grond gestoken staken fladderde.

Met vertelde daar dat van de bevolking daar ter plaatse slechts één vierde gedeelte was behouden.

Op den weg naar het gebergte, in de richting van de plek waarheen controleur Beyerinck gevlucht is, lagen duizende lijken, die de lucht verpesten. Sterk verlangden allen naar rijst en naar zout, de rijst toch die zij hadden was met asch vermengd en haast oneetbaar. Overigens was de toestand der bevolking bevredigend, ziekten zooals koorts, pokken of cholera kwamen niet voor. Rijst en zout werden uit de Kedirie aan de bevolking verstrekt en de toezegging gedaan van meer. Door dr. Vorderman werd aan de lijders geneeskundige hulp verleend, en tevens gaf deze hun de middelen aan de hand, om zelf medicijnen voor brandwonden te bereiden.

Pogingen om aan te meren bij Telok Betong

Des Dinsdags, tegen drie ure ongeveer, scheepte men zich weder in op de Kedirie en stoomde weg naar Telok Betong, het hoofddoel der reis. Na eenige uren stoomens kwam men voor een puimsteenlaag, waar men om heen voer en tegen donker ging men tusschen de eilanden Tegal en Mahitam ten anker.

Na de tweede dag van de reis, waarop de Straat Soenda was overgestoken en een bezoek was gebracht aan Kali Anda, kwam men dus in de buurt van het reisdoel Telok Betong. De genoemde eilanden Tegal en Mahitam (Maitem) liggen zo’n 12 tot 15 km ten zuiden van Telok Betong aan de westzijde van de Lampongbaai.

Des Woensdagmorgens, 5 September, bemerkte men dat de puimlaag zich verzet had en noordwaarts een doorvaart open liet. Hierop poogde men daarin door te dringen, om benoorden het eiland Tangkil te landen. Dit mislukte echter en men geraakte O.Z.O. van Tangkil in een puimlaag vast. Het gewone verschijnsel van verstopping in de injectie-spuit, ook door de andere hoppers en stoomschepen ondervonden, deed zich bij de Kedirie voor.

Aan den machinist van de Kedirie, de heer Trumann, komt een woord van waardeering toe, voor zijn onvermoeid werken bij die gelegenheid en de energie, waarmede hij den ganschen nacht bezig is geweest, om door veranderingen in de machine deze van een machine met hoogen druk in een met lagen druk te veranderen, waardoor men minder van het water van buiten afhankelijk zou zijn en dus minder last van de puim hebben zou.

De puimlaag was zelfs dikker dan de diepgang van het schip, daar de eerste p. m. 14 voet beliep, en de Kedirie slechts 12 voet diepgaat.

Het genoemde eilandje Tangkil ligt zo’n 7 km ten noorden van Tegal en Mahitam, en dus veel dichterbij Telok Betong. De expeditie probeerde dus in die omgeving aan te meren, om een minder lange afstand over land te hoeven afleggen. De ondoordringbare puimlaag op het water, met een diepte van meer dan 4 meter, verhinderde dit echter.

Na raadpleging tusschen de heer Koster en den gezagvoerder ’t Hoen, werd besloten een geul te maken en den kop van ’t schip weer naar het Zuiden te brengen. Dit gelukte tegen de avond, maar de machine raakte weer verstopt, nadat men een eind zuidwaarts was gestoomd.

Donderdag, 6 September kwam men vrij van de puimlagen. Toen is men bij Gebang, aan de linkerzijde der Lampongbaai (wanneer men van hieruit gaat) geankerd, op ettelijke palen nog van het vlak noordelijk gelegen Telok-Betong.

Pantai Dewi Mandapa Gebang Lampung.jpg

Een van de stranden bij het dorp Gebang, waar de bemanning van de Kedirie aan land is gekomen.

Het dorp Gebang ligt iets uit de kust, ongeveer ter hoogte van de genoemde eilanden Tegal en Mahitam. Een hele dag en nacht is men dus bezig geweest om te proberen noordelijker dan dat punt aan te landen, maar dat is mislukt. Een paal is een Indische lengtemaat die op Java overeen kwam met ongeveer 1,5 km en op Sumatra met ongeveer 1,85 km. Omdat de bemanning van de Kedirie vanuit Java kwam is het voor de hand liggend dat hier op de Javaanse paal werd geduid. De afstand over de weg van Gebang naar Telukbetung is ongeveer 20 km, oftewel zo’n 13 Javaanse palen.

Te voet naar Telok Betong

Des middags te 3 ure werd gedebarkeerd door de geheele expeditie en des avonds te 6 ure de kampong Gebang bereikt, waar door het hoofd en de bevolking verblijf werd verleend.

Vrijdag morgen, te 6 ure ging men te voet van Gebang naar Telok Betong; terwijl hadjie Amin vooruit gezonden was met een brief aan den resident. Te Telok Betong, dat men reeds Woensdags, bij Tangkil liggende, uit de verte had kunnen zien, had men de Kedirie ook bemerkt, en de resident had den controleur Lux last gegeven, het gezelfschap tegemoet te gaan. Deze ontmoette men tussen Gebang Ilir en Gebang Oedik. Op die laatste plaats werden de postpaketten afgegeven en met een inlandschen schrijver alvast doorgezonden naar de Kedirie.

Uitzicht ten zuiden van Bandar Lampung.png

Uitzicht vanaf een heuvel langs de weg tussen Gebang en Telok Betong (nu Bandar Lampung), gezien in zuidelijke richting. Het eiland op de voorgrond is Tangkil.

De weg, dien het gezelschap af te leggen had, was moeilijk boven alle beschrijving. Het was of een reuzenhand woud en aarde had omgewoeld en er vermaak in gevonden had, de werken der menschen en de teekenen der beschaving te vernietigen.

Altijd en altijd stuitte men op omgeworpen boomstammen, wier takken een dikwijls onoverkoomlijk hindernis voor den voetganger vormden. Toen men kampong Kedjadjian bereikt had, bleef schout van Haagen met de meeste kettinggangers daar achter. Vele van deze laatsten waren werkelijk niet in staat verder te gaan; de arme duivels hadden kort geleden het hospitaal verlaten, waar zij om berri-berri in opgenomen waren geweest.

Met de kettinggangers werden de dwangarbeiders bedoeld. Dit waren inlandse misdadigers die als onderdeel van hun straf met een ketting aan elkaar vast werden gemaakt, en vaak zwaar lichamelijk werk moesten doen. Berri-berri is de eerdergenoemde aandoening (nu beriberi genaamd) die wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1.

De heeren Koster en Vorderman, met 6 kettinggangers en 2 politieoppassers, zetten echter den tocht voort en bereikten des avonds te 6 ure Telok Betong. Bij de Kali Telok Betong kwamen hun twee lieden met obors tegemoet, die door den resident waren afgezonden.

Hoe het er daar te Telok Betong uitziet, wie gered en wie omgekomen zijn, wat er uit de verwoesting gespaard is gebleven, is in hoofdzaken reeds uit vroegere brieven en telegrammen genoegzaam bekend. Evenzeer, dat alle Europeesche geredden in het huis van den resident een schuilplaats gezocht en gevonden hebben.

Met Kali Telok Betong duidt de schrijver op de grote rivier die door de stad loopt. ‘Kali‘ is het Javaanse woord voor rivier, en de lokale bevolking zal de rivier dus niet zo genoemd hebben. In de taal van Lampung is een rivier een ‘way‘, in het Indonesisch is het woord ‘sungai‘. Obor is het Indonesische/Maleise woord voor ‘fakkel’.

Des Zaterdags namen de leden van de expeditie de hun zoo noodige en zoo rechtmatig toekomende rust; terwijl de luit: Koster, met die energie en onvermoeidheid, die hem gedurende den geheelen tocht hebben gekenmerkt, toch nog dienzelfden Zaterdag een bezoek bracht, aan den hoog op het land liggenden Gouvts. stoomer Barouw, welks stuurman en machinist zoo rampspoedig maar braaf en trouw op hun post zijn omgekomen.

Barouw Telok Betong.jpg

Beeld van hoe de Barouw landinwaarts in een riviertje was terechtgekomen. Afbeelding door de Franse journalist Edmond Cotteau uit 1884.

Het genoemde schip de Barouw was een radarstoomboot van het Nederlands-Indische gouvernement, die op de dag van de ramp lag aangemeerd voor de kust van Telok Betong. Door de tsunami was dit grote schip ver landinwaarts meegevoerd, waarover op vrijdag 7 september het volgende telegrafisch bericht in de Java-Bode stond: “Stoomer Barouw op 2 paal afstand teruggevonden, niet meer af te brengen” (p6). Het schip was 3.300 meter landinwaarts door de vloedgolf neergekwakt, volgens sommige bronnen op 18 meter boven zeeniveau. Volgens een beschrijving van de Franse journalist Edmond Cotteau uit 1884 waren de stuurman en machinist omgekomen toen er — nadat ze na de vloedgolf uit de boot waren gegaan en zich aan een boom hadden vastgeklampt — nog een tweede grote vloedgolf kwam.

Terug richting Batavia

Des Zondags ’s morgens vertrokken de leden der expeditie weder, met de personen, die hen naar Batavia wilden vergezellen, eenige mannen, vele vrouwen en kinderen, welker namen reeds een paar dagen geleden in ons bericht van de aankomst der Kedirie zijn gepubliceerd.

Op 12 september stond inderdaad in de Java-Bode wie er op de Kedirie waren meegekomen vanuit Telok Betong naar Batavia: “Medegenomen zijn: de familie van Steenbergen, Marlier de Routon, Crawfurd, Stuivenberg, van der Zon Brouwer en Weber.” Daarnaast waren er ook “eenige inlanders en Chineezen” op het schip (p6).

De tocht geschiedde te voet; alleen de kleine kinderen werden gedragen. In het geheel gingen 19 personen mee. En welk een marsch deze hadden af te leggen, kan men eenigszins begrijpen, als men weet dat de te doorloopen afstand 13 paal bedraagt, en dat over en door hinderpalen, welker aard wij zoo straks met een paar woorden hebben beschreven.

Bruggen waren natuurlijk nergens te zien, men ging door de daar trouwens zeer kleine en ondiepe kali’s heen; nu eens langs het strand, dan weer hooger op. Overal waar de vloedgolf den weg bereikt had, was ’t een rizophoren-woud; omgespoelde aarde met zware boomstammen, struikgewas en steenen tot een chaos opgestapeld. De grond was modderachtig en op tallooze plekken kreeg men den stank van rottende herten- of varkenskrengen in den neus. De kinderen, niet in staat natuurlijk om de vreeselijke beteekenis van de verwoesting te begrijpen, waren verreweg de opgewektsten van het geheele gezelschap; zij lachten en zongen en beschouwden de zaak klaarblijkelijk als een nieuw en zeer bizonder pretje.

Het rizophorenwoud waarover gesproken wordt duidt op het mangrovebos. Rhizophora is de Latijnse naam van een van de bekendste soorten mangrovebomen.

Toen men kampong Kedjadjiang bereikt had, werd daar weer gebivakkeerd; of misschien is dit minder juist, daar men door de inwoners in hun hutten opgenomen werd, maar in elk geval was het nachtverblijf ruw en sober genoeg en in vergelijking van de slaapstee eens Europeaans wel deeglijk een bivak.

Des Maandags in de vroegte, te 6 ure, weder op marsch; terwijl de luit. Koster al vooruit wsa. In den ochtend nog op de embarkatie-plaats gekomen zijnde, vond men daar een brief van den heer Koster, dat het aan boord gaan op die plaats onmooglijk was geworden en dat de Kedirie met de intusschen aangekomen Ophir (die de expeditie Deijkerhoff en Willemstijn overbracht) verder op was gegaan, naar de Raté baai, die in zuidelijke richting van het vroegere landingspunt ligt, op een afstand van 5 paal van daar.

De Ratébaai of Ratai-baai (nu Teluk Ratai) is een kleine baai, onderdeel van de veel grotere Lampongbaai, ten zuiden van het dorp Gebang. De baai is genoemd naar de net ten westen gelegen berg Gunung Ratai.

Zoo ging het dan immer weiter, met opgezwollen en gekneusde voeten, door dalen en waterplekken, door kali’s en moerassen, langs het strand of over steile berghoogten. De luit. Koster was inmiddels weer teruggekomen, de marcheerenden tegemoet. Te drie ure bereikte men ten laatste het uitgekozen punt, van de Raté-baai, waar men de leden der expeditie Deijkerhoff reeds gedeeltelijk gedebarkeerd vond, en waarde Kedirie zijn passagiers lag op te wachten.

Het verdere is in een paar woorden verteld. Daar de zee nog met puimsteen was bezet, op die plek ten minste, misschien door den stroom, die in de Lampongbaai loopt, opgezet, moest met voorzichtigheid worden doorgestoomd.

Dinsdag avond liet de Kedirie bij het eiland Hoorn het anker vallen en Woensdag morgen kwam men te Priok, vanwaar de reizigers, gelijk bekend is, per spoor naar het Heemradenplein en verder in wagens naar de Bovenstad zijn vervoerd.

Het eiland Hoorn, nu geheten Pulau Air Besar, is een van de kleine eilandjes van de Duizend Eilanden in de Baai van Jakarta. Vanaf daar was het nog maar 16 kilometer tot de eindbestemming: Priok, oftewel de haven van Tandjoeng Priok (Tanjung Priok). Het Heemradenplein was een plein aan de oostkant van de oude stad van Batavia, ten (noord)oosten van de Leeuwinnegracht, waar de trein vanuit Tandjoeng Priok aankwam. Met de Bovenstad wordt gedoeld op Weltevreden, het nieuwere deel van de Indische hoofdstad, dat nu het centrum van Jakarta vormt.

Afsluitende opmerkingen

En hiermede liep een expeditie ten einde, die gewis voor allen die er aan deelnamen overgetelijk zal blijven. Een expeditie, in angstige onzekerheid begonnen doch door gelukkige bevindingen en goede resultaten bekroond. Want toen zij, den 3den September, van hier ging was over Telok Betong hier te Batavia nog niets bekend en algemeen heerschte her vermoeden, dat de geheele bevolking omgekomen zou zijn.

En onder die bevindingen moet verder als een punt van groot gewicht worden aangemerkt, de gunstige gezindheid der bevolking, die allerwege de hulpvaardigheid zelf was. Met revolvers ging men heen (een voorzorgsmaatregel, die wij trouwens volkomen goedkeuren!); men heeft ze niet voor een dag behoeven te halen. Hadjies en lagere inlanders hebben gewedijverd in dienstbewijs.

Maar naast het vele verschrikkelijke en treurige dat reeds bekend was, heeft de tocht der Kedirie ook nog dit in ’t licht gesteld, wat reeds door velen vermoed werd, dat de schoone en bedrijvige Lampongbaai voor wie weet hoe lang, onbevaarbaar is.

De eerste, noodigste stappen, die der menschlievendheid, zijn nu gedaan. Thans volgen de ernstiger zorgen, om de verwoeste streek te bevrijden van haar lijkgewa en haar kluisters van asch en puim. Voor de humaniteit is het werk bijna ten einde. De arbeid der Regeering, het werk voor de energie en kunde van onze marine-mannen, van onze ingenieurs, en ook van de bestuurs-ambtenaren, begint.

Lees ook…

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s